De zon in mijn ogen,
de wind in mijn haren,
herinnerd mij aan de tijd,
dat we nog kinderen waren.
Broederlijk hand in hand,
renden we langs de zee
over het witte strand.
Grote schepen voeren voorbij,
zoals het leven,
voor jou en mij.
Het heldere water van de zee,
golfde deinend met ons mee.
we hadden zoveel dromen,
en ze zijn ook uitgekomen.
Jij werd de vissersboer,
je bent vol verlangen,
op je boot je vissen aan het vangen.
En ik sta heel gewis,
aan het roer
van zo'n groot schip,
dat ons toen voorbij gevaren is.
Onze band gaat nooit verloren,
want aan de zee,
daar zijn we opgegroeid,
daar zijn we geboren.
Waar we ook komen
waar we ook gaan
Onze band die blijft bestaan.
Jij als vissersboer
ik als kapitein,
toch, ik blijf je broer. |
|